Tijdens het wetgevingsoverleg over de Invoeringswet dat een week vóór de stemming heeft
plaatsgevonden zijn onder meer verschillende vragen gesteld over de rol van het bestuur van een vennootschap indien de algemene vergadering besluit om winst uit te keren. Volgens het voorgestelde artikel 2:216 lid 2 BW moet het bestuur aan zo’n besluit goedkeuring verlenen en weigert het bestuur “slechts de goedkeuring indien het weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap na de uitkering niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden”. Krachtens het nieuwe artikel 2:216 lid 3 BW lopen de bestuurders hier risico van aansprakelijkheid. Volgens de minister van Veiligheid en Justitie gaat het hier om wat het bestuur op het moment van de uitkering weet of behoort te weten, met andere woorden: informatie die redelijkerwijs bij de afweging
moet worden betrokken. Een periode van maximaal 12 maanden vooruitkijken is gebruikelijk
voor wat men behoort te weten. Onder normale omstandigheden is het niet nodig om externe
deskundigen in te schakelen en kan men volstaan met raadpleging van de boekhouding.
Inschakeling van deskundigen is wel aan de orde als zich sinds de vaststelling van de laatste
jaarrekening bijzondere omstandigheden in de financiële positie van de vennootschap hebben
voorgedaan. Volgens de laatste volzin van het voorgestelde artikel 2:216 lid 1 BW is de
laatst vastgestelde jaarrekening bepalend voor de vaststelling van het eigen vermogen en
de reserves. Om een tussentijdse uitkering van winst in het lopende boekjaar mogelijk te
maken is een amendement aangenomen dat deze laatste volzin schrapt.
Verder zijn bij het wetsvoorstel kritische vragen gesteld over het idee van de regering om
de notariële akte af te schaffen voor het oprichten van een ‘eenvoudige’ BV. In verband
hiermee zal de minister aan de Tweede Kamer een volledige afweging verstrekken met de
voor- en nadelen van dit idee zodat het parlement hierover een goed oordeel kan vormen.